U bent hier

Is uw voedingsprogramma op maat van uw teelt? Zo komt u erachter.

In de Engelse literatuur lezen we dikwijls over ‘micronutrient responsive crops’ of hoe sterkt uw teelt reageert op de behandeling met sporenelementen. Heeft uw teelt al te maken gehad met vergeling, tragere groei of slechte vruchtzetting? Dan is het hoog tijd om te toetsen hoe ‘micronutrient responsive’ uw teelt is. Of, hoe gevoelig is uw teelt?

Als uw teelt erg gevoelig is voor een bepaald voedingselement, is de reactie op een behandeling met dat element sterk. We kennen volgende ranking:

  • zeer gevoelig
  • matig gevoelig
  • weinig gevoelig
     

Even een voorbeeld

Beeld u een perceel met een uniforme bodemvruchtbaarheid in. Aan de ene kant zaaien we tarwe, aan de andere kant zaaien we suikerbieten.

Als we kijken naar de gevoeligheden voor koper en boor, zien we het volgende:

  • Suikerbiet is veel gevoeliger voor boorgebrek dan tarwe
  • Tarwe is veel gevoeliger voor kopergebrek dan suikerbiet

Dit betekent dat suikerbiet veel sneller en sterker reageert op boortoepassingen dan tarwe en omgekeerd dat tarwe veel sneller en sterker reageert op kopertoepassingen dan suikerbiet.

Hoe verklaren we dit verschil in gevoeligheid?

Enkele parameters die een sterke gevoeligheid bepalen
 

  • Hoge behoefte aan een specifiek voedingselement

Als een teelt grote hoeveelheden van een element nodig heeft, kunnen er sneller gebreken optreden tijdens de groei. Daardoor reageert de teelt goed op toepassingen met dit element.

In ons voorbeeld hebben suikerbieten ongeveer 3 maal zoveel boor nodig als tarwe. Suikerbieten zijn dus gevoeliger voor dit element.

  • Tijdelijk hoge behoefte aan een specifiek voedingselement

Soms zijn de totale behoeften van de teelt niet zo heel groot, maar is de nood aan een voedingselement geconcentreerd in een korte periode. In dit geval moet de plant relatief grote hoeveelheden opnemen op korte tijd. Als dit dan ook samenvalt met een minder gunstig klimaat, kan de plant dit element minder goed absorberen.

Een voorbeeld: Mais heeft relatief veel zink nodig tijdens de eerste fasen van zijn ontwikkeling. Vanaf de kieming tot het 4-8 bladstadium kunnen er dikwijls nog koude periodes zijn die de opname van dit element bemoeilijken, en waardoor gebreken tijdens deze periode frequent zijn. Toepassingen zullen tijdens deze periode dan ook een effect hebben op de volledige ontwikkeling van de plant tot en met een verhoogde opbrengst.

  • Efficiëntie van het wortelgestel

Ook het wortelgestel speelt een belangrijke rol. We kijken naar het voorbeeld.

Suikerbieten hebben meer koper nodig dan tarwe, toch komt een kopergebrek niet zo veel voor bij suikerbieten. Dit komt omdat de wortels van suikerbieten het koper uit de bodem efficiënter opnemen en gebruiken. Hiervoor bestaat wellicht een biochemische verklaring, maar die kennen we niet altijd.

Ook de fruitteelt en wijnbouw, waar onderstammen gebruikt worden, kennen verschillen in gevoeligheid voor ijzergebrek. Belangrijk: kies de juiste onderstam in functie van het klimaat en de bodem. Zo vermijdt u ijzergebreken te vermijden. Onderzoek naar de verschillen in gevoeligheid wijst uit dat onderstammen die minder gevoelig zijn voor ijzergebrek het wortelmilieu, door executanten, positief beïnvloeden. Het ijzer in de bodem rondom de wortels wordt zo meer oplosbaar en daardoor beter opneembaar. Met de gerichte keuze van onderstam vermijd je dus een gebrek aan ijzer.

  • De mobiliteit van het element in de plant

Mobiliteit is een erg belangrijke factor. Als een element mobieler is in de plant, is de kans kleiner dat er tijdelijke gebreken ontstaan tijdens de groeicyclus. Waarom, vraagt u zich af? Alles heeft te maken met translocatie.

Als een element erg mobiel is, verplaatst de plant dit intern makkelijk naar waar hij er het meest nood aan heeft. Dit voorkomt gebreken, zelfs in periodes met verminderde beschikbaarheid in de bodem.

Omgekeerd, als een element weinig of niet mobiel is, legt het zich ergens in de plant vast en zal het zich niet meer verplaatsen. De plant moet dan nieuwe hoeveelheden absorberen om verder te groeien en nieuwe organen te vormen. Als dit element tijdelijk minder beschikbaar is in de bodem, ontstaat op die manier een gebrek.

Verschillende variëteiten fruitbomen hebben hiermee te maken. Fruitbomen die minder gevoelig zijn aan boor, zijn variëteiten die het boor in de plant zelf mobiliseren door chelaten met polyolen te vormen. Op die manier verplaatst het boor zich van oudere bladeren naar de groeipunten. Gebreken krijgen geen kans.

Hoe pakt u de gevoeligheden van uw teelt aan?

Houd de elementen waarvoor uw teelt gevoelig is, extra in de gaten. Ze beïnvloeden de productiviteit van uw teelt. Ga vervolgens na of er nog andere factoren zijn die de beschikbaarheid van dit element verder kunnen beïnvloeden: bodem, klimaat, translocatie.. Op basis van deze gegevens kan u dan beslissen of het al dan niet nodig is om het element toe te dienen. Zo optimaliseert u de bemesting van uw teelt.

Met onze gepersonaliseerde voedingsprogramma’s hebben wij precies hetzelfde doel voor ogen. Samen met advies van onze technici, streven we naar uw optimaal resultaat.

Voorbeeld

Perenbomen zijn erg gevoelig voor ijzer.

  • In licht zurige zandleembodems is de beschikschikbaarheid van ijzer goed tot zeer goed, en zal het dus minder (of niet) noodzakelijk zijn extra ijzer toe te dienen.
  • In kalkrijke bodems, met een hoge pH, is ijzer erg beperkt beschikbaar en krijgt de perenboom vaak te maken met een tekort aan ijzer. In dit geval zullen onze bladtoepassingen met ijzer de productiviteit van uw teelt verhogen.

Kent u de gevoeligheden van uw teelt? Check uw teeltpagina en ontdek alles over de behoeften van uw teelt. Of contacteer ons voor een advies op maat.